Download Eeuwen Des Onderscheids PDF

TitleEeuwen Des Onderscheids
File Size190.1 KB
Total Pages59
Document Text Contents
Page 2

EEUWEN DES ONDERSCHEIDS ........................................................................................ 1

HOOFDSTUK 2: DE ROMEINSE ERFENIS ...................................................................... 5
DESINTEGRATIE VAN HET IMPERIUM ....................................................................................... 5
OVERHEIDSECONOMIE............................................................................................................. 6
OOST-ROMEINSE RIJK............................................................................................................. 6

HOOFDSTUK 3: DE VOLKSVERHUIZINGEN................................................................. 8
VERHUIZINGEN........................................................................................................................ 9
CHRONOLOGIE ........................................................................................................................ 9
KARAKTER VAN DE VOLKSVERHUIZINGEN............................................................................ 10
BARBAARSE KONINKRIJKEN.................................................................................................. 10
ARABISCHE VEROVERINGEN ................................................................................................. 11

HOOFDSTUK 4: CHRISTENDOM & ISLAM.................................................................. 12
VERHOUDING KEIZER EN PAUS ............................................................................................. 12
MATERIËLE RIJKDOM VAN DE KERK ...................................................................................... 13
KERKELIJKE ORGANISATIE.................................................................................................... 13

Geestelijkheid en haar taken ............................................................................................ 13
Hiërarchie: Episcopaat en Diocees ................................................................................. 13
Synoden en Concilies ....................................................................................................... 14

GELOOFSLEER, ORTHODOXIE EN HETERODOXIE .................................................................... 14
Ketterijen.......................................................................................................................... 15

MONNIK EN KLOOSTERWEZEN .............................................................................................. 15
VERBREIDING VAN HET GELOOF ........................................................................................... 16
ISLAM.................................................................................................................................... 17

HOOFDSTUK 5: .................................................................................................................... 18

SAMENLEVING EN ECON OMIE IN DE VROEGE MIDDELEEUWEN.................... 18
TRANSFORMATIE VAN DE ARISTOCRATIE.............................................................................. 18

Degradatie van de vrije weerbare mannen...................................................................... 18
Promotie van de slaven .................................................................................................... 18
Horigheid, grondheerlijkheid en hofstelsel ...................................................................... 19

HANDEL EN GIFTEXCHANGE ................................................................................................. 19
FRIEZEN EN VIKINGEN........................................................................................................... 19

HOOFDSTUK 6: DE WERELD VAN DE FRANKEN...................................................... 20

MEROVINGERS ...................................................................................................................... 20
Karolingische dynastie..................................................................................................... 20

PATRIMONIUM EN STAAT ...................................................................................................... 20
Benefica............................................................................................................................ 20

BOVENBOUWSTAAT............................................................................................................... 21
De Fictie van het Keizerschap ......................................................................................... 21

PERIFERIE.............................................................................................................................. 22
Britannica......................................................................................................................... 22
Moors-Iberië..................................................................................................................... 22
Vikingen............................................................................................................................ 22

HOOFDSTUK 7: VERSNELDE GROEI ............................................................................ 23

Page 29

hele perioden aangemerkt als Godsbestand. Hiermee traden de abten op het terrein van de
Koning wiens taak het was de orde en vrede in het koninkrijk te handhaven.

Tegen de overdaad en rijkdom van Cluny kwamen uiteindelijk weer nieuwe kloosterordes op
die een strakke discipline van wereldverzaking, contemplatie en soberheid handhaafden. Men
streefde naar het leven in navolging van Christus en vestigde zich in de uithoeken en langs de
randen van de Christelijke wereld. Voorbeelden uit deze nieuwe beweging zijn het klooster
van Citeaux waar de cisterciënzers uit voort kwamen en de Premontstratenzers uit het
Klooster van Prémontré. Deze nieuwe orden waren min of meer gespecialiseerd in het
ontginnen van nieuw gebied en sterk militant.

Het streven te leven in navolging van Christus was één aspect van een religieuze hervorming.
Het andere was een streven naar meer spiritualiteit. Een dieper contact met God door gebed
en meditatie. Men ging zich veel meer indentificeren met God-de-Zoon (Christus) en
gedurende de elfde eeuw veranderde het beeld van Jezus als de Koninklijke overwinnaar van
de dood naar een intens lijdende menselijke figuur vóór de dood. In praktische zin werd dit
geloof beleefd door afstand te doen van alle rijkdom en zoals Christus en zijn Apostelen in
armoede te leven. Deze lekenbewegingen gingen in kleine gemeenschappen (begijnen,
humiliati, waldensen etc.) samenleven en balanceerden door hun kritische houding tegen de
laksheid en verdorvenheid van de kerk steeds op het randje van ketterij. De meest invloedrijke
leek uit die periode is Fransiscus van Assisi die het leven van Christus wilde na-leven
(imitatio Christi). Aan het einde van zijn leven vertoonde hij zelfs de stigmata. De
Fransiscanen die hem gingen volgen waren als leken ‘minderbroeder’ en moesten met hem
rondtrekken, bedelen om zich te voeden en het evangelie prediken.

Fransiscus van Assisi stond aan de basis van de bedelorden. Deze kloosterorden hadden een
behoefte om afstand te doen van alle aardse rijkdom en waren gericht (in navolging van
Christus en de Apostelen) op het verspreiden van het evangelie. Men predikte het evangelie
in de eigen volkstaal in de steden. Naast Fransiscus van Assisi en de Fransiscaners was een
tweede grote bedelorde ontstaan onder de Spanjaard Dominicus Guzman. Deze beweging
stopte met vervolging van ketterij en begon ook met de prediking van de theologie in de eigen
taal. Hiervoor moesten de monniken goed opgeleid zijn waardoor de orde een eigen
onderwijssysteem op zetten. Scholen en universiteiten van de Dominicaner orde verspreidden
zich over Europa. De twee laatste grote bedelorden zijn de Karmelieten en de Augustijnse
Heremieten. De invloed van deze orden is enorm geweest. Het preken in de volkstaal leidde
tot een opleving van de religieuze intensiteit bij de gewone gelovigen maar ook tot veel meer
onverdraagzaamheid tegenover andersdenkenden. Door de bedelorden worden de gelovigen
zelf zichtbaar in de kerk wat leidt tot een toename in pelgrimages, de verering van relieken en
de actieve nieuwbouw van grote monumentale kathedralen (opkomst gothiek). Daarnaast
groeit het geloof in mirakels en wordt ketterij (bijvoorbeeld de Katharen) nu met de steun van
het volk steeds feller vervolgt. Dit wordt door de kerk opgepakt en leidt tot de oprichting van
het pauselijk tribunaal (de inquisitie), een opleving van de Spaanse reconquista en een
versterking van het antisemitisme en de jodenvervolging. Joden gaan steeds meer in getto’s
wonen.

Page 30

Hoofdstuk 9: Vroege territoriale vorstendommen
Vanaf de tiende eeuw komen de nieuwe staten op. Deze staten draaien rondom de vorstelijke
dynastie en zijn voortgekomen uit de staten West Francia en Oost Francia.

Oost Francia: het Heilige Rooms Rijk
Koning Hendrik I (919-936) brak als eerste met de Frankische traditie om de erfenis niet te
verdelen onder alle zonen. In plaats daarvan bepaald hij dat het koningschap gekozen wordt.
Het domein van de familie wordt nog wel verdeelt. Na Hendrik I wordt de Ottoonse dynastie
(919-1024) gevestigd, gevolgd door de Saliërs (1024-1125) en de Hohenstaufen (1132-1254).

Het Oost-Frankische Rijk bestond uit stamhertogdommen rondom dynastieke families:
Saksen, Zwaben, Franken, Beieren en Thüringen (tot 908). De Ottoonse Keizers kwamen uit
het Saksische huis en vestigden in plaats van een verkozen kiezer een dynastie door bij leven
al hun opvolger tot koning of medekeizer te laten kronen. Alleen bij gebrek aan
troonopvolgers volgde verkiezing. Door invloed van de bisschop van Mainz ging na het
uitsterven van de Ottoonse dynastie de keizerskroon zonder problemen over op de Salische
dynastie waarmee aangetoond werd dat het principe van een Duitse kroon boven de
stamhertogdommen algemeen werd geaccepteerd. Iedere dynastie beschikte over een
patrimonium de familiedomeinen die de Hausmacht genoemd werden. De Ottoonse
Hausmacht breidde het keizerrijk in de tiende en elfde uit over Lotharingen en Bourgondië.
Hiermee strekte het Rijk zich uit van Italië tot Denemarken en van de Schelde en de Rhone tot
de Donau. Zelfs binnen de Duitstalige volken bestonden grote culturele tegenstellingen. Toch
was het grootste conflict tussen de Germaanse volken en de Slavisch/Magyaarse volken. In de
‘drang nach osten’ legde het Rijk langs de oostgrenzen zwaar versterkte kolonisatie gebieden
aan. De zogenaamde “Marken”

De keizerlijke en koninklijke macht en overwicht is sterk gebaseerd op de macht van de Kerk.
Bisschoppen en abten werden aangewezen als wereldlijk heer en de dynastieën maakten
gebruik van hoge geestelijke adviseurs. Grote delen van het rijksleger waren afkomstig uit de
kerkelijke landen als betrouwbare bondgenoot tegen de hertogen. Het geestelijk celibaat
weerlegde de adellijke drang tot dynastievorming. De steun van de rijkskerk was te danken
aan de Duitse missie van bekering van de Slavische volken.De Ottoonse en Salische
dynastieën lieten grote dombasilieken bouwen in Bamberg en in Spiers.

Herstel Keizerschap
Otto I onderwierp in 951 de Langobarden en laat zich tot koning kronen van Franken en
Langobarden. Paus Johannes XII vraagt bescherming aan Otto I in de vete tussen de
Romeinse Crescenti en Tusculani. In ruil voor zijn steun kroont de Paus hem tot keizer. Na
zijn vertrek uit Rome sluit Johannes XII een verbond met de vijanden van Otto I waarna de
Keizer terugkeert en de Paus afzet. Hij installeert de nieuwe paus Leo VIII. De Keizer stelt
daarna dat geen enkele paus mag worden aangesteld zonder keizerlijke goedkeuring. Hieruit
ontstaat een conflict tussen de Keizers en de Pausen.

De Duitse hegemonie over Italië is een noodzakelijke vereiste voor het behoud van de
keizerskroon. De pogingen van de Duitse keizers om de controle over Italië te behouden leidt
tot verwaarlozing van hun rol in Duitsland. Hoewel de keizers regelmatig met legers door
Italië trekken weet men hier nooit echt voet aan de grond te krijgen. In Rome werd de Duitse
keizerlijke hulp alleen ingeroepen door de rivaliserende families om de controle over de paus

Page 58

Nieuwe inkomsten werden aangeboord door de belasting van geestelijken en het in ‘leen’
geven van ambten. Hiervoor werd een grote bureaucratische machine opgebouwd.

Hoewel het pausdom verfranste blijft men streven naar een terugkeer naar Rome. Daarvoor
was rust en stabiliteit in de Italiaanse politiek nodig die de Paus diverse keren met harde hand
heeft willen opleggen. Na de terugkeer van paus Gregorius XI in 1378 overleed deze paus en
kozen de kardinalen een bureaucraat. Deze keuze werd daarop teruggedraaid omdat men
angstig was voor de aantasting van het eigen gezag. Een nieuwe tegenpaus werd gekozen die
weer opnieuw introk in Avignon terwijl de eerste in Rome bleef. Hierdoor ontstond het
westers schisma. De Europese wereld koos langs de bestaande machtslijnen voor één van de
twee pausen. Frankrijk en zijn bondgenoten Schotland, de Spaanse Koninkrijken en Napels
voor Avignon en Engeland, het Duitse Rijk, Scandinavië, Polen, Hongarije en Portugal voor
Rome. Onder de kerkrechtelijke bepaling dat een algemeen concilie over een paus kan
oordelen als deze van het geloof afweek en de Kerk in gevaar bracht kwam de conciliaire
beweging op. Na een eerste fiasco werd het Concilie van Konstanz (bijeengeroepen door de
Duitse Keizer Sigismund in 1417) een ongekend succes. De zittende pausen werden tot
aftreden gedwongen en er werd één nieuwe gekozen: Martinus V die vrijwel door iedereen
werd erkent. De conciliebeweging had een constitutioneel element kunnen worden binnen de
Kerk omdat men afsprak regelmatig samen te komen. In 1431 liep het Concilie van Basel vast
door de tegenwerking van Paus Eugenius IV die zich verheven achtte boven de ‘meute’ in de
concilies. Hij verplaatste het Concilie naar Ferrara waardoor de conciliaire beweging werd
verdeelt en verdween. Pius II verbood om tegen beslissingen van een paus bij een algemeen
concilie in beroep te gaan. De conciliaire beweging was niet in staat een vast apparaat of
instituut te creëren en richtte zich teveel op de positie van de Paus.

Tijdens het schisma wist de wereldlijke macht de nationale kerken op te richten (Gallicaanse
kerk in Frankrijk) die wel belast werden. De Koning kreeg in Frankrijk grote invloed op de
keuze van bisschoppen. De renaissancepausen richtten zich meer op een ‘eigen’ nationale
kerk in de Pauselijke staten waardoor het ideaal van een universele christenheid verwaterde.

Geloofsleven
Het geloofsleven van de late middeleeuwen wordt gekenmerkt door een introspectieve kant en
een extraverte kant. De introspectie was te zien in een verinnerlijking van geloofswaarden en
een persoonlijk contact met God en nieuwe vroomheid. De extraverte zijde was een
overdadige uitdrukking van het volksgeloof dat geobsedeerd werd door het sterven en de
dood: gebedsherdenkingen (memories), poëzie, liederen, preken en beeld- en schilderkunst.
Het maatschappelijke draagvlak voor de werken van de Kerk en de individuele betrokkenheid
was groter dan ooit.

Dit kwam ook naar voren in het kloosterleven waardoor steeds bij verslapping van de
leefregels een reactie op gang kwam. Deze reactie wordt wel observantisme genoemd. De
nieuwe congregaties maakten een wezenlijk deel uit van de steeds grotere kritiek op het
kloosterleven en clerus. Schenkingen en toetreding namen snel af binnen kloosters die niet
vasthielden aan de kloosterleer (zoals de Fransiscanen). Orden die dat wel deden (de
Kartuizers in de vijftiende eeuw) bloeiden als nooit te voren. Veel nieuwe kloosters en nieuwe
gemeenschappen ontstonden door de schenkingen van vermogende leken. Uit deze nieuwe
bewegingen die tot ‘inkeer’ waren gekomen ontstond in de Nederlanden de Windesheim
congregatie en ‘moderne devotie’ die onder andere met het schrijven inde volkstaal
(Navolging van Christus door Thomas van Kempen) de individuele vroomheid ondersteunde.
De rituelen van de kerk diende de gelovige ‘los te maken’ van het alledaagse, overdadig

Page 59

vertoon hinderde dat alleen maar. Deze beweging stond op de rand van ketterij. De Lollarden
in Engeland passeerden die rand door te beweren dat er een rechtstreekse band tussen God en
de gelovigen was. In deze relatie was geen geestelijkheid nodig om te bemiddelen.

Naast deze nieuwe spiritualiteit ontwikkelde zich de mystiek. Hierin werd gestreefd naar een
innerlijke, emotionele en intuïtieve vereniging met God. Voor de intellectuele mystiek is
Meister Eckhart de grondlegger. De non-intellectuele kant is begonnen bij Bernard van
Clairvaux.

Gewone gelovigen kozen veel meer voor de extraverte kant van het geloofsleven die werd
aangestuurd en gecontroleerd door de Kerk. Om de gelovigen te bereiken werd de Kerk
gedwongen de boodschap te versimpelen. De christelijke boodschap werd teruggebracht tot
vijf componenten:

1) Het credo (ik geloof). Een korte belijdenis van de hoofddogma’s die iedere gelovige
moest kunnen uitspreken voor de biecht en de communie.

2) De belangrijkste gebeden (Onze Vader, Weesgegroet etc.)
3) De belangrijkste zedelijke voorschriften: de tien geboden, de deugden en doodszonden
4) Kennis van de sacramenten
5) Kennis van de eschatologie (de ideeën voor het leven na de dood, vagevuur etc.)


Door verbetering van de opleiding en ondersteuning van parochiegeestelijken werd deze
boodschap steeds effectiever overgebracht. Hiermee kwam men ook tegemoet aan de
antiklerikale kritiek over gebrekkige scholing en dubieuze moraal. Het volksgeloof van de late
middeleeuwen was een mengeling van christelijk, voorchristelijk en magisch geloof dat werd
getolereerd door de Kerk die zelf astrologen raadpleegde en met wijwater duivels en demonen
uitdreef. Centraal bleef de lijdende menselijke Christus, de Mariaverering en de verering van
ontelbare lokale en regionale heiligen. De heiligverklaring legde de Kerk wel aan banden door
vooraf een kritisch onderzoek te doen.

De reformatie van de zestiende eeuw richtte zich vooral tegen de oppervlakkige lekendevotie
met als doel door aflaten zoveel mogelijk kwantificeerbaar krediet bij God te verkrijgen
(optelvroomheid). Door de latere reformatie wordt vaak vergeten dat de katholieke kerk er in
de late middeleeuwen goed in slaagde een levenskader en een boodschap te bieden voor
tallozen die hieraan zingeving voorhun bestaan ontleenden.

Similer Documents